Nieuwsbericht

Autoverlichting: kent u het verschil?

Geplaatst op
Wanneer moet een automobilist zijn mistlichten inschakelen? En wat zijn precies de regels voor het gebruik van de grootlichten? Zelfs chauffeurs die al jaren hun rijbewijs op zak hebben, hebben niet altijd een pasklaar antwoord op deze en gelijkaardige vragen. Gelukkig werpt Athlon licht op de zaak.

Een moderne auto is uitgerust met vijf soorten lichten: dagrij-, parkeer-, dim-, groot- en mistlichten.

Dagrijlichten

Dagrijverlichting is sinds 2011 verplicht op alle nieuwe auto’s. Sinds 2015 moeten bij nieuwe auto’s ook de achterlichten branden in deze stand. Dagrijlichten gaan automatisch aan als de motor aanslaat. Als de chauffeur (of de auto) overschakelt op andere lichten, gaan ze uit. Ze dienen uitsluitend om de wagen zichtbaar te maken voor andere weggebruikers, niet om zelf beter te zien. Voor de dagrijlichten bestaat er geen symbool op het dashboard. Als chauffeur kunt u dus niet zien of ze zijn ingeschakeld.

Parkeerlichten

De parkeerlichten, of standlichten, dienen net als de dagrijlichten enkel om gezien te worden door andere weggebruikers, en dus niet om zelf beter te zien. Het is verplicht om de parkeerlichten in te schakelen als het voertuig buiten de bebouwde kom of op de rijbaan geparkeerd staat. Bij de parkeerlichtstand branden de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en twee kleine lampjes aan de voorkant

Dimlichten

 

De naam dimlicht verwijst naar het feit dat u met dit type verlichting uw tegenliggers niet kunt verblinden. De dimlichten zorgen ervoor dat u zichtbaar bent voor andere weggebruikers én dat u zelf beter kunt zien. Ze verbeteren het zicht van de bestuurder tot ca. 30 meter. Dimlichten zijn de standaardlichten die je gebruikt als het donker is, dat wil zeggen vanaf het schemerdonker ’s avonds tot het ’s morgens weer licht wordt. Ook overdag zijn dimlichten soms verplicht, namelijk als mist, hagel, regen of sneeuw het zicht beperken tot minder dan 200 meter. In de dimlichtstand branden zowel de koplampen, de achterlichten als de kentekenplaatverlichting.

Grootlichten

 

Vanaf hier tasten veel chauffeurs in het duister over de precieze regels. De grootlichten, ook verstralers of in de volksmond pharen genoemd, zorgen ervoor dat je zichtbaar bent voor andere weggebruikers én dat je zelf beter kunt zien. Ze verbeteren het zicht van de bestuurder voor minstens 100 meter. Als je verder dan 100 meter kunt zien, mag je de grootlichten dus niet gebruiken. Het gebruik ervan is ook niet toegestaan als

  • je een auto volgt op minder dan 50 meter (de chauffeur voor je kan dan verblind worden);

  • je een tegemoetkomende weggebruiker nadert (andere auto’s, fietsers, treinen, trams en zelfs boten);

  • een tegemoetkomende weggebruiker met de grootlichten knippert om aan te geven dat hij of zij verblindt wordt. 

Mistlichten

  vooraan   achteraan

Het achtermistlicht gebruik je wanneer het zicht door mist, sneeuw of felle regen beperkt is tot minder dan 100 meter. In alle andere omstandigheden kan het gebruik van het achtermistlicht achteropkomende bestuurders verblinden en is het dus verboden. Steeds meer auto’s hebben ook mistlichten vooraan. Die zijn niet verplicht. U mag ze uitsluitend gebruiken bij mist, sneeuw of felle regen.

Terug naar nieuwsoverzicht